Hoe Danny aan zijn kieuwen kwam

Hij had een onderonsje met de Intergalactici. Dat had hij wel vaker, deze tijd van het jaar. “Zijn jullie van Mars?” had hij hen de eerste keer gevraagd. Zij hadden met hun kieuwen geflapperd, wat non-verbale intergalacto communicatie was voor stevig uitlachen. “Neen, Danny, iedereen weet onderhand wat met de Martianen gebeurd is!” zei de ene intergalacticien, onderwijl een stevige, zwavelloze scheet latend, waarop de anderen met ontzag verstilden tot wanneer hij de kieuwen flapperde en het ijs gebroken was. Ze keken naar hun voeten: de kleine wijzer stond al tussen de tweede en derde teen, meer dan tijd om te vertrekken. Er zat een fuite in de opstraalpomp, dus moesten ze het hele eind naar boven surfen op eigen kracht. Met de nachtelijke thermiek kon dat nog wel even duren, maar ze zouden terugkomen. Ze beloofden zelfs chocolade croissants van Bundervoet mee te brengen, als Danny maar een kop hete motorolie zou klaarmaken; een bakkie troost als je zo ver van huis bent.

In de weken die daarop volgden, bestelde Danny zoveel gebruikte motorolie (persoonlijke voorkeur van de Opper Intergalacticus) dat hij de argwaan van de dioxinecommissie opwekte. Maar dat had hij ervoor over. Hij zou immers het verhaal van de ondergang der laatste Martianen te horen krijgen. Maar de intergalactici toonden de achterzijde van hun tong, niet toevallig hun minst communicatieve kant. Er werden sloten motorolie aangevoerd tot wanneer de toedracht eindelijk tot Danny en de boor in zijn kleine hersenen doordrong. Hij flapperde met zijn kieuwen en liet een zwavelloze scheet, toen hij met een herstelde straal ten hemel steeg.

File

"Het is wel genoeg zo," zei Fay tegen zichzelf en ze stapte uit haar auto.  De laatste 45 minuten had ze anderhalve kilometer afgelegd in haar frambozeroze twingo: van net voor de afrit Aalst tot net voorbij de afrit Aalst.  Ze porde het portier dicht, tuitte haar gelippenbalsemde lippen naar de buitenspiegel en schikte haar haar.  Dan stak ze het rechterbaanvak over, een sigaret op en de autosleutel weg.  Haar handtas sloeg ze voor de gelegenheid gezwind over haar schouder, voldoende voldaan van zichzelf. 

De auto’s zetten zich in gang tot ze 20 meter verder niet meer verder konden, ronkend tot stilstand gebracht.  Fay stapte langs hen heen.  Achter zich hoorde ze de klacht van een geirriteerde claxon, gevolgd door een rite van furieuze Alfa (Romeo)-mannetjes die fulmineerden tegen een lege twingo.  Zo’n dingen had ze geregeld geregeld, maar niet vandaag.  Vandaag moest ze tegen tienen in Tienen zijn.  Dus stapte ze door naar de kop van de file die zich als een verre horizon telkens kilometers voor haar bleef uitstrekken.

"Wat een puik idee," dacht ze toen ze om twee voor tien het kantoor binnenstapte. ’s Avonds glipte ze vlot mars marcherend tussen de avondspits, gleed in haar nog steeds op het middenvak geparkeerde auto die nu fileledig vrij stond en racete in achteruit ritsend terug naar huis.  Thuis nam ze haar man op de arm en beantwoordde de vragende blikken van haar kinderen met een zwoele kus en de woorden: "Het was maar weer een doordeweekse dag. Steken jullie papa in bad? Dan maak ik Blackie het konijn klaar."

En zo geschiedde.