Een goeie affaire

Gisteren feest, feest met twee, wezen eten. We zijn nog eens naar een van onze favoriete restaurants geweest: The Food Affair.

Ik hou van The Food Affair omwille van zijn toiletten (er is één herentoilet, maar ik vermoed dat er bij de dames een gelijkaardige ervaring te beleven valt). Het is allesbehalve een minuscuul hokje, het is een gezellige ruimte waar je geestelijk, lichamelijk en kringspierig tot ontspanning komt. Het ruikt er fris (de leukste restaurants hebben vaak toiletten die ruiken alsof men een gyproc-hok boven de beerput gebouwd hebben), er is zacht toiletpapier (niet van het soort waarmee je jezelf openrijt tot het duodenum), er is Ecoverzeep (biologisch én lekker ruikend, stel je voor), er staat een bamboepartijtje én er hangt een handdoekrol (geen kouweluchtblazer waarmee ze je lichaamswarmte met 3 graden laten zakken maar waarbij je achteraf toch nog je broek als handdoek moet gebruiken – hoe doen vrouwen dat met korte rokken? Niet moeilijk dat die panty’s gaan stinken).

Voor ik het vergeet: natuurlijk was de cava met citroengras, de carpaccio van lichtaangebakken tonijn, de teriyaki filet mignon en de moelleux overheerlijk, maar de extase bereikte ik in het toilet.

Schijtetelefoon

Een Amerikaans onderzoek heeft aangetoond dat 53% van de Amerikanen ooit al eens een werkgerelateerd telefoongesprek gehouden hebben of een email verstuurd hebben vanuit de badkamer, allez, laten we zeggen: kakkend op het toilet.  En dat vinden zij vies.

Pfff…

Ok, ik ben ook geen voorstander om een telefoongesprek te houden terwijl ik de verteerde moussaka van gisteren uit mijn peristaltiek pers, maar een smsje sturen vanuit de little boy’s room naar de baas of naar een wachtrij vrienden, waarom niet?

Wie er een probleem mee heeft dat ik hem/haar wel eens een berichtje stuur terwijl ik zo’n intiem moment beleef, mag zijn naam in de commentaren achterlaten.  Ik beloof plechtig (mijn ene hand opgestoken, de andere kuist momenteel mijn kont af) dat ik jullie niet meer van op het toilet schrijf.  Misschien wel nog als ik lig te verfrommelen in een heet bad.

Javaans toilet

Yogyakarta, Java

Vandaag is een zware dag: het is vroeg opstaan en we reizen naar de Bromovulkaan. Eerst om 6u00 het vliegtuig op naar Surabaya en van daaruit naar de Bromovulkaan: een tocht van 5 uur met de wagen.

Het ontbijt dat we meegekregen hebben uit het hotel moeten we opeten alvorens we de security in de luchthaven passeren. We slokken het snel binnen (inclusief miertjes die onze jam ook al gevonden hebben). Aan de check-in slagen ze er in om met twee man personeel zo’n chaos te veroorzaken bij de aanschuivende passagiers dat het helemaal niet vooruit geraakt. Maar we zijn op vakantie, dus waarom zouden we er ons g*d*v*rd*mm* druk IN MAKEN??? Pelan, pelan, rustig, rustig; het lukt mij hier wonderwel (Iza is al van bij haar geboorte ‘pelan, pelan’).

Wanneer we rond zeven uur landen in Surabaya, moeten Iza en ik dringend naar het toilet (gevoelige lezers kunnen dit paragraafje beter overslaan). Iza vindt een schoon, frisgepoetst, Westers toilet. Ik voel mij gesteund in de opluchting die van haar gezicht straalt en ik waag mij ook in een luchthaventoilet. Indonesische toiletten. Interesse voor toiletten zal ik wel van mijn moeder hebben (mama, correct me if I’m wrong), dus beschrijf ik graag mijn ervaring. Indonesische toiletten zijn van het type ‘gat in de grond’. Je gaat op je hurken zitten, denkt aan iets ontspannends als schelpjes rapen op een verlaten strand in Bredene en dan zou je de ‘sidder en beef’ uit je lijf moeten voelen. Elk medisch student zal je kunnen zeggen dat je op zo’n manier nooit je bodembekkenspieren (of was het bekkenbodemspieren) kan ontspannen maar ala! Bovendien heeft een doordeweeks Indonesisch toilet geen toiletpapier maar een tuinslang met sproeikop. Daarmee kan je naar hartelust sproeien, douchen of de fonteinen van het Belaggiohotel imiteren. Soms heb je de luxe om een toilet te vinden met zitbril, en dat vind ik dan ook op de luchthaven. Ik kom binnen en overal ligt het nat: de wc-bril, de wc-pot, de vloer, de muur: hier is een tsunami gepasseerd. Ik kijk rond: geen toiletpapier. Probeer dan maar eens te improviseren als je echt dringend moet en je je broek moet afsteken maar niet wil dat ze daarna kletsnat rond je kont hangt. Get your own mental image (foto ontbreekt).

Helemaal ontredderd kom ik terug in de luchthavenhal en we zoeken onze chauffeur die ons in een ruk naar het hotel vlakbij de Bromovulkaan brengt. Het laatste gedeelte in de bergen is zo smal dat je liever je ogen dichtdoet dan te kijken hoe de voortreffelijke chauffeur ons rakelings langs tegenliggers brengt, over hobbelige wegen die hier en daar best nog een vers laagje asfalt kunnen gebruiken. Als we toch het heroische lef hebben om onze ogen open te doen, zijn we getuige van de mooiste uitzichten, rijstterrassen die zich uitstrekken tegen de steile bergflanken en waarvan je je niet kan voorstellen dat een mens in staat is om ze te bewerken zonder naar beneden te donderen. We zien oude vrouwtjes (of misschien niet zo heel oude, maar wel verweerde) die zware manden vol lang gras sjouwen of mannen die 5 meter lange bamboestammen dragen.

Na de hobbelbobbelrit (mijn rug doet wat lastig) komen we aan bij het hotel dat er een beetje uitziet als een chaletpark op wintersport. Het wordt misschien een beetje saai als ik het heb over het (zoveelste) adembenemende uitzicht, maar hier is de term zeker op zijn plaats. We worden stil van het uitzicht op de enorme vlakte van de vulkaan en we waren al niet veel van zeg (na onze reis). We eten een kleinigheid in het hotel waar het personeel minder spontaan vriendelijk is, maar voor elke zin ‘Excuse me, sir, excuse me miss’ zet. Daarna halen we wat slaap in en vullen we alweder onze maag want we moeten er stevig opstaan als we in het midden van de nacht uit ons bed in de jeep naar Bromo gesmeten zullen worden.

DSC03787 DSC03788

DSC_7086 DSC_7093

Snif

Een gecollecteerde verkoudheid (van het type dat in de Vlaamse volksmond ‘snotvalling’ genoemd wordt) is een ideale gelegenheid om de nieuwigheden in het arsenaal papier mouchoireke te herontdekken. Het zal de opmerkzame (dus vrouwelijke) winkelganger niet ontgaan zijn, dat er een variëteit bestaat in kleur, zachtheid en ook geur.

Mijn laatste ontdekking op dat gebied is de Eucalyptuszakdoek, groen en nauwelijks gefermenteerd. Één neus-blow gevolgd door een kleine “Where is the love”-sniff en je neus bloeit open om je vervolgens weer te herinneren hoe heerlijk het kan zijn om in Brussel stad rond te dwalen. Op deze nasale tocht passeer je eerst Mount Ricola, met overnachtingen in hut Vickx, om daarna losbandig teruggekatapulteerd te worden naar het stadsleven waar je elke uitlaat als inhaler aanwendt.

Kortom, zo’n zakdoekjes brengen je in een totaal nieuwe dimensie.

Een vreemd toilet is voor vrouwen een ietwat complexere zaak dan voor mannen zo lang het gaat over een klein commiske. Vrouwen inspecteren eerst (bij voorkeur in troepen van 3 of 4 vrouwen) het toilet dat er het minst goor uitziet (en checken vooral het slot), gebruiken de eerste toiletrol om de wc-bril volledig te bedekken (of die er nu pisgeel of kraaknet uitziet) om zich dan halfzweverig boven deze stapel papier te houden, zich klem houdend tussen de wc-muren met de laatste velletjes toiletpapier in beide handen. Dat vrouwen slechtere mikkers zijn in deze plasonderneming dan mannen en dat ze door deze ganse wceremonie eerder bevuilers zijn, dat moet hen ontgaan zijn. Mannen daarentegen -althans wanneer ze zich op de pot moeten begeven- planten zich gewoon neer, eventueel de paar niet al te hardnekkige brokken verwijderend, onder het kinderlijke adagio “als ge het niet ziet, is het er niet”.

Ietwat genuanceerder is het bij De Gruute Commisse. Vrouwen zijn veel meer voorbereid op deze intestinale exodus. Zo gebeurde het mij dat ik na 3 uur lang de spanning opgebouwd te hebben, mij eindelijk eens goed kon laten gaan. Op zo’n moment van puur delirium check ik natuurlijk niet de beschikbaarheid van het toiletpapier dat over het algemeen in overvloed aanwezig is. Die dag niet dus. Een contractie van pure paniek maakte zich van mij meester, edoch te laat. Elvis had already left the building. Als een junkie in the need for speed ging ik bezeten op zoek naar vervanging. Ik plunderde mijn zakken, vond boodschappenlijstjes die ik verloren waande en o divine divinity een zakdoek. Groen. Ik ruik de eucalyptus. Ik twijfel. Ik probeer de geur wat weg te blazen. Ik sluit mijn ogen en doe mijn ding. In de volstrekte overtuiging dat ik net Mentos supositoir opgestoken heb, nijp ik vervolgens de billen samen om euforisch het pand te verlaten. Een paar uur lang geniet ik van de balsem die mijn innigheid soigneert. Absoluut geweldig.