Nasaline

Dat ik last heb van sinusproblemen dat zal de trouwe tweevoeter van deze blog wel al kunnen lezen hebben (tot ver buiten de landsgrenzen) met vaak pijn en pijn.

Dokters weten eigenlijk niets.  Zo hebben ze mij al eens de sinussen gespoeld (waarbij ze eerst metalen pinnen in mijn beider neusgaten boorden en daarna zo een half uur in de wachtzaal lieten zitten), wat op dat moment niet nodig was.  Noch het boren, noch het mij laten zitten.
Er zijn al meer foto’s van die leegtes (wat is de sinus meer dan het donkere Niets?) genomen dan van Janet’s nipslip.
Acupunctuur heeft uiteindelijk ook geen soelaas gebracht.  Na al dat naaldengeprik loop ik nog steeds te lekken uit enkels, beenperforaties, hand- en voetstigmata en o ja, ook uit een sinusholtes.  Maar dat laatste is net het punt: ik blijf lekken.

Dus nam ik mijn toevlucht tot sprays (iew vies, goor en droogt de slijmvliezen uit waarbij je slijm opdroogt tot steengruis dat de binnenbekleding van je neusvleugels openrijt).

nasaline Een paar weken geleden raadde iemand mij Nasaline aan.  Een weerzinwekkend grote spuit met zout water die je tegen je neusgat drukt en leegspuit in je neusholte tot het je andere neusgat, je mond en uiteindelijk je oren uitkomt.

Het ziet er verschrikkelijk uit.  Barbaarse stammen, middeleeuwse beulen en de Spaanse Inquisitie hebben zich hoogstwaarschijnlijk van dergelijke middelen bediend.

Nasaline krijgt het epitheton “Neusdouche” mee.  Wie wil er nu een douche krijgen van lauwwarm, zout, neusspoelend water?

Alsof de foto nog niet genoeg is, er bestaat ook een instructiefilmpje van, volledig geanimeerd want niemand wil meedoen in zo’n snufmovie.  Ik zou wel gek zijn om dat te kopen.

Ik heb het gekocht.  Het kwam vandaag aan met de post.  Geen uitpakfilmpjes, geen zie-me-hier-staan-met-mijn-spuit-foto of kijk-mama-zonder-handen-performance.  Ik heb het uitgeprobeerd in de discrete stilte van het lege huis.  En het is vies, het lijkt alsof je ganse hoofd gevuld wordt met warm, met snot gemengd spoelwater tot wanneer je net zo’n glazige blik in je ogen krijgt als het plastieken mens van foto en instructievideo.

Van die keer dat ik me afvroeg: “Zijn het cactussen, vetplanten of olijfbomen die groeien uit sinusoidale pijnscheuten?”

Vannacht.  Pijn.  Ongelooflijke pijn.  Alsof er een olifantje in de schedelholte tussen mijn ogen gepropt zit.  Een olifantje dat wat winterkilo’s bijgewonnen heeft.  Ik sterf.  En als het nu niet is, dan wel van zodra ik mijn hoofd tegen de witte muur geplamuurd heb.  Ik voorzie slierten bevrijde hersenen als een grijs pied de poule motief.  Het heeft wel iets –aaargh–  Ik hou mij in.  Misschien dat liggen helpt.  O nee, verkeerd idee.  Het olifantje is ook gaan liggen.  Ik veer weer recht.  Het olifantje heeft moeite om te volgen.  Drup.  Drup.  Het beestje verliest vocht en het drupt in mijn mond.  Bah.

Als ik mijn mond open doe, komt er gekerm uit.  Beverig, als een zenuwachtige buikspreker.  Ik hoor hem zeggen “waarom”, “waarom nu”.  Hij animeert een bultrug “waaaaaaaaaarooooooooooom iiiiiiik?”.  Het olifantje wil er uit en begint te stampen.  Dumbo, koest!  Ik ga liggen op mijn zijde.  Pijn.  Andere zijde.  Pijn.  Heb ik nog een zijde?  Neen, maar wel pijn.

Ik heb een voorschrift, bedenk ik me met het restje hersenen dat nog niet bezig is met pijndetectie. Sinutab Forte.  De gedachte bij het laatste woord sust Dumbo.  Maar ik heb nog steeds pijn.  Ik draai mezelf in mijn kleren, strompel de trap af; alles klinkt zo schreeuwerig.  Het is half twee.  Half twee!  Mijn hemisferen spelen gespleten Repelsteeltje en delen zich gedwee in twee.  Mijn linkerlichaamshelft wil met de auto naar de apotheek rijden, de rechterkant kiest het hazepad.  Op de jachtweg vinden ze elkaar terug.  Ik kijk reik- en kokhalzend uit naar medicijn.

De Dendermondsesteenweg is verlaten.  Leeg.  Eenzaam zoek ik de apothekersbel.  Na vijf minuten krast de parlefoon: voor wat is het?  MIjn ironie-synapsen sturen de boodschap “een blonde Leffe, maar ‘t mag in ‘t fleske”, maar dit bericht komt nooit aan.  Ik zeg: “pillen”.  We krassen nog wat woorden over en weer, ik die nog niet heb kunnen slapen en de verdoofde apothekersvrouw die niet meer zal kunnen slapen.  Het grote metalen valluik gaat open en ik gooi er het briefje in.  Gemompel aan de deur.  Ik sta weer alleen.  Zouden er ruikers hyacinten uit mijn neusvleugels bloeien als ik eens goed zou snuiten?  Gestommel.  Woorden achter de deur.  Gesjoeefffft.  Een auto dendert over de steenweg.  Ik gooi geld in het bakje zonder dat ze begint te zingen.  Het luik buldert weer open.  Ik neem wisselgeld en medicijn terug, het luik wordt als een slotpoort gesloten; ik behoud hand en vingers.

Over de talloze verkeersdrempels die als pneumatische hamers op mijn schedel bonken, geraak ik uiteindelijk thuis.  Het liefst van al zou ik de Sinutab oplossen, opwarmen en met lange naald achter mijn oogbol spuiten, maar een eenvoudige hap-drink-slik beweging helpt ook.  Nog even niet.  Eerst een half uur wachten.  Met.  Pijn.

Hooi

“Teveel hooi op je vork,” vraagt ze? Neen, tenzij ik mijn sinusaanval dan toch te danken zou hebben aan hooikoorts. Ik vind het best meevallen, zeker voor een vork van mijn omvang (ik maak mij ondertussen de bedenking hoe ver ik nog kan gaan in mijn hooi-vorkmetafoor).

Goed, ik heb momenteel 3 repetities per week en opleiding elke zaterdagvoormiddag. Zoveel is dat toch niet? En een lief ja… en een huishouden maar, laten we eerlijk zijn, met mijn vriendin kan ik dat huis best makkelijk houden. Waarom ben ik dan de laatste jaren zo snel viesverschrikkelijk verkouden met alle fluogroene details? “ouderdom” hoor ik u flauw rochelen. Neen, dan steek ik het liever op mijn fysieke empathie met al die vrienden, kennissen en familie die al weken lopen te snotteren. You are not alone!

Snottenklaas

Het is ál Sinterklaas wat de blogklok slaat.  Onderwijl verzuip ik in het snot.  Mijn sinussen doen alweder een poging om mij met een tsunami (elke twee minuten) te verzuipen.  Ik ga het snot te lijf met dozen tissues en balsemende zakdoeken, maar het is dwijlen met de kraan open, het brengt weinig aarde aan dijk: ik krijg de ene dijkbreuk na de andere.

Vanmorgen opgestaan terwijl ik mijn met mucus volgeprakte kop probeerde in evenwicht te houden.  Sinterklaas is vannacht niet langsgeweest.  Misschien vond hij het niet zo aangenaam om een schoen aan te treffen vol met snotvolgeschoten zakdoeken.

Een beetje teleurgesteld heb ik de dag verder ingezet met ontbijttelevisie: de DVD van “Letters from Iwo Jima“.  Mwa, mwa, mijn cornflakes geraakten sowieso al niet vlot binnen.  Maar ’t was dat of “An Inconvenient Truth“.

En nu gauw een Andy Biotics pilletje slikken en wat synthetische, steriliserende, antiseptische, maar vooral tjernobylstinkende druppeltjes in mijn neus gieten.  Nog extra vocht!

Een ander ritme

Nen mens die uit vakantie komt en meteen moet beginnen werken op een project waarbij 2 volledige tandwielen moeten worden bijgezet, heeft na een week al geen zin meer.  Bovendien had ik een ander ritme, ik moet nu 5 uur vroeger opstaan dan tijdens de Gentse Feesten.  En dat doet pijn. Nasale sinusoide pijn.  Zo erg dat de groene smurrie ’s ochtends als een blubberende lavastroom uit mijn neus gutst, terwijl het de rest van de dag als een optimistisch kabbelend beekje kleurloos uit mijn nasale holtes stroomt.

Maar klagen, neen hoor.