Dokarten

Kalibaru, Java

Ik heb nog niet verteld over onze aankomst in Kalibaru gisterenmiddag. Dat komt omdat we het te druk hadden. Ja, te druk.

De reis gistren was vermoeiend. En als wij al met een zulthoofd uit de auto gestapt zijn, hoe moet het dan voor de chauffeur geweest zijn, die de auto 5 uur lang voor de grootste putten in het wegdek heeft weten te behoeden. Alleen, aan hem zie je dat niet, wij zien er uit als een slecht opgevouwde linnen broek die na 10 dagen reizen voor het eerst uit de koffer gehaald wordt. Maar dit glijdt allemaal weg, langs onze gedeukte schouders, als we ontvangen worden door Chris & Peter, en de voltallige staff van het Javaanse huis. We kijken verwonderd en bewonderend (Iza, mondje dicht) naar dit prachtige domein. Chris maakt zich een beetje zorgen dat ze ons moet ontvangen in dit bewolkte weer, maar wij voelen ons al bijna herboren in de koelere tuin en de rust en sereniteit van onze kamer, wat een heuse verademing is na het stoffige, oude, slaapverstorende vertrek van het Bromohotel. De badkamer is luxueus, de douche nodigt ons meteen uit voor verkoeling en het hapje (nu ja, zeg maar heuse hap) van de kok smaakt overheerlijk. We komen helemaal tot rust. ’s Avonds eten we samen met Chris en Peter. We hangen aan hun lippen die verhalen vormen over Indonesie; verhalen over een tijdspanne van wel 30 jaar; verhalen die ons de lokale cultuur en de Javaanse, Balinese en algemeen Indonesische mentaliteit beschrijven. We krijgen informatie in een kleurrijkheid waaraan menige reisgids kan tippen.

Iza slaapt Uitzicht op onze villa

Uitzicht vanuit villa

Met Peter en Chris

Vandaag rijden we met de dokar en zullen we een aantal dingetjes bezoeken op het platteland. Ik weet nauwelijks hoe ik Iza moet mennen, laat staan een paard, dus hebben we een “koetsier” die ons samen met de gids op de kar zal vervoeren. Ik plant mijn hiervoor veel te omvangrijke kont (geen commentaar alstublieft) op de 3cm2 zitruimte die mij toegewezen wordt. Mijn benen vouw ik ergens tussen en ik voel mij weer als op een intercontinentale vlucht. We stoppen eerst bij een blikslager. Een rotherrie, iets luider dan Iza’s gamelanmuziek en onze gids, Supri, doet met ons de ronde. We lopen door het winkeltje, maar ik zie me nog geen reuzenwok meesleuren naar Belgie. Iza gaat weer naast de koetsier zitten en als ik opgestapt ben, begint het paard meteen te trekken en zijn we vertrokken. Iza ligt in een kleine plooi omdat ze insinueert dat ik te zwaar ben, maar ik hou het op een goeie verstandhouding tussen het paard en mij.

Blikslagers

Het paard houdt halt bij een torrenfabriekje. ’t Is te zeggen, het is een huis waar grote torren binnengebracht worden (door knullen die ze in de bossen gevangen hebben) en dan levend in plastic potjes verpakt worden (op een stukje suikerriet). Er zijn waarschijnlijk al een paar Tupperware-avonden in de buurt geweest want het kamertje staat werkelijk vol met die potjes van waaruit luid geflipper en geflap opstijgt. Iza verschuilt zich achter mijn waanzinnig brede rug, want ze heeft een afkeer voor dit soort huisdieren. De levende dieren, elk zo’n tien cm groot (en soms groter), worden geexporteerd voor torrengevechten. Dode exemplaren worden in plastic gegoten en eindigen als sleutelhanger of ander ornament. Iza is maar wat blij als we weer vertrekken. Het paard ook, want het vertrekt weer als ik voet aan kar zet (ik moet toch eens nadenken over dat paardenfluisteren).

Torren

Supri brengt ons naar de markt. Een lokale marktvrouw houdt Iza staand, raakt haar krullend haar aan en zegt “chanti”, niet omdat ze Italiaanse wijn importeert, maar omdat dat ‘mooi’ betekent. Mij noemt ze “kaka”. Voor het eerst in mijn leven neem ik dit als compliment in ontvangst, want het wordt gebruikt als “chanti”, maar dan voor mannen. En ze blijft maar doorgaan met complimenten: dat ik zo’n mooi lange neus heb. Ja, het zal wel gaan, zeker? Moet ik dat geloven of gaan jullie ook nog zeggen dat ik zo’n mooi grote voeten heb? Supri komt mij redden uit al die (gespeelde) adoratie en doet ons slangenfruit eten (een soort van geschubde zoete vrucht). Dan gaat hij met ons naar een palmsuikerfabriekje en naar de cacao-, koffie- en palmsuikerplantage die daar aan grenzen. Het loopt een woonwijk (desa) in. Wij volgen schools. Dan laat hij ons op de veranda van een huis zitten, zijn huis, waar zijn dochtertje, Risma, goeiedag komt zeggen. Het is een prachtig, lief meisje dat helemaal aan haar papa hangt en een beetje schuw is tegenover vreemde mensen, ook al komen hier wel vaker toeristen over de vloer tijdens zo’n desatour. Supri komt na een kwartiertje terug met overheerlijke pisang goreng (gebakken banaan). Ik hoef niet zo nodig banaan, maar de gebakken banaan die ik eerst uit beleefdheid proef, eet ik vervolgens met gretige smaak op.

Rijstveld Rijstveld

Supri en Risma Ons eerf

Sap halen

Eenmaal terug in het Javaanse huis wil ik de platte buik het zwembad ingooien, maar het weer heeft daar een ander idee over. Het wordt nog bewolkter en er vallen een paar druppels uit de hemel. Een dametje komt naar onze kamer. We hebben een typisch Indonesische massage gevraagd. Ook nu verwondert het mij welke kracht er uit die vingertjes komt. Ze vindt zonder probleem alle pijnlijk plekken tussen mijn spieren en verlost mij van de spanning die ik de afgelopen dagen opgelopen heb.

We eten weer samen met Chris en Peter en gaan helemaal op in de verhalen rond de stille krach, g*u*n*a*g*u*n*a, en nog meer spannends voor een avondje in dit mysterieuze land. En dat we al over de Indonesische tongen gegaan zijn! Het was me al opgevallen tijdens trips (zowel in Yogya als in Kalibaru): Indonesiers hebben ALTIJD ALLES gezien. Als je op straat passeert, dan hoor je vanuit deuropeningen, van in het struikgewas of achter twee rijstplantjes luid “Hello” roepen. Zij hebben jou al lang gezien, alvorens je nog maar in het snotje hebt dat er mogelijks iemand naar jou aan het kijken is. En als ze jou niet zelf gezien hebben, omdat ze bevoorbeeld niet thuis waren, dan horen ze het wel van de buren, of de buren van de buren, of het ruisen van de wind. Zo mogen we zeker zijn dat het ganse dorp weet dat een zeer lange man en een meisje met lang, krullend, blond haar bij Peter en Chris logeren.