Merci

Jullie zijn fantastisch.  Neen, echt, het moet gezegd.  Zonder dat ik er naar gevraagd heb, hebben jullie het toch gedaan.  En niet zomaar een iemand, neen, en masse!  En ik durf er zelfs om te wedden dat jullie niet weten waarover ik het heb, vanuit een bescheidenheid, misschien, die jullie zo siert.  Maar het resultaat is er: het is gelukt.  Dat hebben we aan jullie te danken.

We zijn vanmorgen aangekomen en het zag er naar uit dat de boeren en de truckers het ons wat lastig zouden maken met hun acties.  Maar neen, weinig tot geen last van ondervonden.  Thuis gekomen hebben we het Werk der Schilders aanschouwd (volledige benedenverdieping en nachthall zijn geschilderd).  Het is als thuiskomen in een ander huis.  Daarna ging Iza slapen; ik kon niet, ik moest proberen of ik mijn foto’s kon terugwinnen op de duistere krachten van het Balinese eiland.

En hier komen jullie ten tonele: dankzij jullie smeekbeden aan de Krachten van alle Godsdiensten, hebben jullie het waargemaakt: ik heb onze 800 verloren gewaande foto’s terug.  Zonder jullie, ach, de krop schiet mij in de keel.

Daarom heb ik niet geslapen, maar wou ik zo snel mogelijk het ontbrekend beeldmateriaal online zetten.  (Her)lees dus:

Luie zwemmerkes

Tuban (Kuta), Bali.

We zitten op een kerosinescheet van de luchthaven. Da’s gemakkelijk voor onze transfer naar de luchthaven, morgen. En het is wel eens leuk omdat we de vliegtuigen kunnen zien landen vanop het stukje strand aan ons hotel. Vooral ’s avonds is dat mooi. Dan komen ze als een bewegende ster die steeds groter wordt tot die wiel aan landingsbaan zet. Je zou blijven kijken, zo na zonsondergang. We zien zelfs een vallende ster; ik wens dat het geen vliegtuig is.

De laatste volledige dag brengen we aan het zwembad door. Met irritant veel goedonderbouwde argumenten, maar vooral met zweterig veel moeite, probeer ik Iza nog eens in het zwembad te krijgen. Als de dag het laatste beetje warmte uit de zon perst, lukt het me ook. Het water is heerlijk warm, alsof de hemelbol het warmgelikt heeft. Het is zelfs nog altijd warm wanneer Iza terugkomt van de kamer, in badoutfit, haar opgestoken zodat het straks niet als zeewierslierten in haar gezicht hangt. We zijn de enigen in het water. De rest maakt zich klaar voor feestjes, braspartijen in lokale discotheken of een avondje pinten hijsen op granny’s wijze.

Schone setting

Schoon gezichtje

We willen nog een laatste keer gaan eten en belanden, na het noodzakelijke rondstruien van menukaart naar menukaart, bij een Italiaan. Er is geen Italiaan te zien (of vooral te horen) in het etablissement, maar de pizza’s zijn lekker, de stoelen comfortabel en het personeel charmant en vriendelijk. Zelfs de bombastische muziek (een walgelijk moderne verkrachting van Beethovens Negende met opgeblazen gezang om chagrijnig van te worden) past wonderwel in de setting.

Daarna gooien we ons nog eens online. Dat de blogposts eerst met pen en papier worden opgetekend wisten jullie onderhand wel. Hoe het dan precies verder gaat? Wel, we hacken ergens een computer (hacken moet hier begrepen worden als: "we betalen braafjes voor het gebruik") en Iza leest voor alsof ze Het Grote Dictee der Nederlandse Taal mag voorlezen, inclusief leestekens, aanduidingen van nieuwe paragraaf, correcties ("zou je dat niet zo schrijven"), veiligheidsoverwegingen ("eerst saven!!!") en zo nu en dan een (html)tagje. Een oersaaie job. Bedankt, meisje.

Kut(a)lawaai

Seminyak (Kuta), Bali.

Het is nu eigenlijk aftellen. We zullen nog twee keer in Bali slapen, een keer of veertig in het luchtruim tussen Denpasar en Zaventem en dan zijn we thuis. Maar voor die laatste overnachtingen in Bali wisselen we ons hotel in voor een ander, aan de andere kant van Kuta. Het is een klein halfuurtje rijden omdat het druk is. Kuta slaapt nooit, daar zorgen de vele, rumoerige Australiers wel voor. Als je al dacht dat Britse, Russische of Duitse toeristen lawaaibrakers zijn, laat mij jullie dan de Aussie introduceren (Perth ligt hier op drie uur vliegen vandaan) met pint in de hand (en nog twee handen vrij hebben om op eenieders schouder “Cheers, mate!” te slaan). Sommige Balinezen doen zo hun best om wat mee te lallen, anderen gniffelen verveeld of kijken de andere kant uit.
Op een kaartje in de hotelkamer vinden we richtlijnen hoe om te gaan met de verkopers op het strand:

  1. Zeg gewoon neen;
  2. als je niet wil dat ze je aanspreken, vermijd oogcontact;
  3. maar vooral, “don’t loose your cool”.

Ik probeer dezelfde richtlijnen voor de Australische decibelblazers.

Kuta is voor ons goed voor shopping. Niet het gezellige van Ubud, wel de grote shopping mall. We zijn een paar uur en elkaar kwijt als we alle winkeltjes willen aflopen of op zijn minst afstappen. Maar het is er fris. Op de bovenverdieping staat een Japanse familie geamuseerd voor zich uit te kijken. Het duurt even voor ik doorheb dat de kleine Oshi van de andere kant van de shopping mall terug naar zijn ouders komt gereden op de rug van een levensgrote, pluchen pony. Hij wordt begeleid door een Balinees die hiervoor waarschijnlijk opgeleid is, maar nu alweer doodverveeld aan zijn dagelijks glaasje arak denkt. Op de voorgrond klinkt het lawaai van overstemde speelautomaten die tegen elkaar opkrijsen als voetbalhooligans op speed. Het is een surreeel tafereel.

We laten ons per taxi naar het epicentrum van Kuta brengen, naar Poppies Restaurant. Het is er dineren aan tafeltjes op kleine eilandjes in een grote tuin. Binnen de muren van Poppies hoor je enkel het warme geroezemoes van gezelligheid en word je afgeschermd van het kabalistisch geweld van het ten top gedreven toerisme. Kuta doet me denken aan Playa de las Americas van vele Spaanse kuststeden. Wij, wij verbergen ons snel in een taxi naar het hotel.

Fritz

Seminyak (Kuta), Bali.

Fritz houdt zijn adem in. Zijn vader heeft het hem zo geleerd. Als je het lang genoeg volhoudt, dan gaat het voorbij. Als je het te lang volhoudt, dan komt het buikgas sissend uit je maag, het vult je kaakholtes om dan ineens met een plof uit je bek te springen. Dat moet je vermijden, dat kan je vermijden. Wist zijn vader. Je stuurt het langs je oren. Dat daarbij oorprut langs je oorschelpen loopt, neem je er maar bij. Alles, alles moet je doen om te vermijden dat ze je opmerken.

Fritz volgt de raad van vader op. Maar ze gaan niet weg, integendeel, ze komen dichterbij. Eentje had hij wel aangekund. Pfff, die slik je zo weg. Je plukt ze vanop de grond. Ze smaken wel wat vies. Je moet ze vooral niet doormidden buiten, want dan komt de smaak vrij: een mengeling van grasmaaierroest en verzuurde beertjes, die gele. Fritz had daar geen zin in. Hij zou wel stil blijven zitten. Zelfs nu ze met tienen in cordon aanrukken, blijft hij zitten.

Mindfullness, je focussen op een erwt in je pollen, zou wel helpen. En ineens ben je 1 met je gedachten. Maar ze zijn nu al met honderden. Hij is groot, zij zijn met velen. Fritz is een doorzetter, zelfs wanneer ze zich massaal op zijn oogbollen storten. Met wat gewrik en gesleur en vooral met een paar minuscule schoenlepels, knikkeren ze zijn oog uit zijn oogkas. "Doet mij niets", zo laat Fritz zijn overmoedigheid winnen, "neem die andere ook maar, want ik heb een perfect gehoor". Alsof ze hem konden horen denken, vreten een dertigtal anderen zijn andere oogbol los. "Ze zijn goed op dreef", denkt Fritz. "Ze zullen mij niet hebben, ik ben goed voorbereid." Daar gaan ze met het vlies tussen zijn tenen. Hij voelt het kietelen als ze zijn schubbige huid van zijn lijf trekken. "Dat zal minder makkelijk zijn om me te beschermen tegen de watervlooien. Maar ach, neem maar mee!"

Het vlees van zijn dijen zijn een toekomstig verleden. Eerst is Fritz nog blij, want er mocht wel wat af, maar wanneer ze zijn spieren van hun pezen losrukken, wordt hij overmand door melancholie. Hij was er zo aan gehecht. Ook al zou Fritz nog wegwillen, hij kan niet meer. Hij is nu helemaal onder hen bedolven. Ze zijn als een nieuwe, bewegende huid.

Maar kijk, zijn volharding heeft het gehaald, ze blazen de aftocht en laten zijn karkas achter. Twee mensen zwemmen weg van de rand waar Fritz in zijn kikkerskelet achterblijft, maar de mieren zien hen niet.

’s Avonds eten Iza en ik bebek, ofte eend op zijn Indonesisch.

Eend op zijn Indonesisch