File

"Het is wel genoeg zo," zei Fay tegen zichzelf en ze stapte uit haar auto.  De laatste 45 minuten had ze anderhalve kilometer afgelegd in haar frambozeroze twingo: van net voor de afrit Aalst tot net voorbij de afrit Aalst.  Ze porde het portier dicht, tuitte haar gelippenbalsemde lippen naar de buitenspiegel en schikte haar haar.  Dan stak ze het rechterbaanvak over, een sigaret op en de autosleutel weg.  Haar handtas sloeg ze voor de gelegenheid gezwind over haar schouder, voldoende voldaan van zichzelf. 

De auto’s zetten zich in gang tot ze 20 meter verder niet meer verder konden, ronkend tot stilstand gebracht.  Fay stapte langs hen heen.  Achter zich hoorde ze de klacht van een geirriteerde claxon, gevolgd door een rite van furieuze Alfa (Romeo)-mannetjes die fulmineerden tegen een lege twingo.  Zo’n dingen had ze geregeld geregeld, maar niet vandaag.  Vandaag moest ze tegen tienen in Tienen zijn.  Dus stapte ze door naar de kop van de file die zich als een verre horizon telkens kilometers voor haar bleef uitstrekken.

"Wat een puik idee," dacht ze toen ze om twee voor tien het kantoor binnenstapte. ’s Avonds glipte ze vlot mars marcherend tussen de avondspits, gleed in haar nog steeds op het middenvak geparkeerde auto die nu fileledig vrij stond en racete in achteruit ritsend terug naar huis.  Thuis nam ze haar man op de arm en beantwoordde de vragende blikken van haar kinderen met een zwoele kus en de woorden: "Het was maar weer een doordeweekse dag. Steken jullie papa in bad? Dan maak ik Blackie het konijn klaar."

En zo geschiedde.