Een goeie affaire

Gisteren feest, feest met twee, wezen eten. We zijn nog eens naar een van onze favoriete restaurants geweest: The Food Affair.

Ik hou van The Food Affair omwille van zijn toiletten (er is één herentoilet, maar ik vermoed dat er bij de dames een gelijkaardige ervaring te beleven valt). Het is allesbehalve een minuscuul hokje, het is een gezellige ruimte waar je geestelijk, lichamelijk en kringspierig tot ontspanning komt. Het ruikt er fris (de leukste restaurants hebben vaak toiletten die ruiken alsof men een gyproc-hok boven de beerput gebouwd hebben), er is zacht toiletpapier (niet van het soort waarmee je jezelf openrijt tot het duodenum), er is Ecoverzeep (biologisch én lekker ruikend, stel je voor), er staat een bamboepartijtje én er hangt een handdoekrol (geen kouweluchtblazer waarmee ze je lichaamswarmte met 3 graden laten zakken maar waarbij je achteraf toch nog je broek als handdoek moet gebruiken – hoe doen vrouwen dat met korte rokken? Niet moeilijk dat die panty’s gaan stinken).

Voor ik het vergeet: natuurlijk was de cava met citroengras, de carpaccio van lichtaangebakken tonijn, de teriyaki filet mignon en de moelleux overheerlijk, maar de extase bereikte ik in het toilet.

Kut(a)lawaai

Seminyak (Kuta), Bali.

Het is nu eigenlijk aftellen. We zullen nog twee keer in Bali slapen, een keer of veertig in het luchtruim tussen Denpasar en Zaventem en dan zijn we thuis. Maar voor die laatste overnachtingen in Bali wisselen we ons hotel in voor een ander, aan de andere kant van Kuta. Het is een klein halfuurtje rijden omdat het druk is. Kuta slaapt nooit, daar zorgen de vele, rumoerige Australiers wel voor. Als je al dacht dat Britse, Russische of Duitse toeristen lawaaibrakers zijn, laat mij jullie dan de Aussie introduceren (Perth ligt hier op drie uur vliegen vandaan) met pint in de hand (en nog twee handen vrij hebben om op eenieders schouder “Cheers, mate!” te slaan). Sommige Balinezen doen zo hun best om wat mee te lallen, anderen gniffelen verveeld of kijken de andere kant uit.
Op een kaartje in de hotelkamer vinden we richtlijnen hoe om te gaan met de verkopers op het strand:

  1. Zeg gewoon neen;
  2. als je niet wil dat ze je aanspreken, vermijd oogcontact;
  3. maar vooral, “don’t loose your cool”.

Ik probeer dezelfde richtlijnen voor de Australische decibelblazers.

Kuta is voor ons goed voor shopping. Niet het gezellige van Ubud, wel de grote shopping mall. We zijn een paar uur en elkaar kwijt als we alle winkeltjes willen aflopen of op zijn minst afstappen. Maar het is er fris. Op de bovenverdieping staat een Japanse familie geamuseerd voor zich uit te kijken. Het duurt even voor ik doorheb dat de kleine Oshi van de andere kant van de shopping mall terug naar zijn ouders komt gereden op de rug van een levensgrote, pluchen pony. Hij wordt begeleid door een Balinees die hiervoor waarschijnlijk opgeleid is, maar nu alweer doodverveeld aan zijn dagelijks glaasje arak denkt. Op de voorgrond klinkt het lawaai van overstemde speelautomaten die tegen elkaar opkrijsen als voetbalhooligans op speed. Het is een surreeel tafereel.

We laten ons per taxi naar het epicentrum van Kuta brengen, naar Poppies Restaurant. Het is er dineren aan tafeltjes op kleine eilandjes in een grote tuin. Binnen de muren van Poppies hoor je enkel het warme geroezemoes van gezelligheid en word je afgeschermd van het kabalistisch geweld van het ten top gedreven toerisme. Kuta doet me denken aan Playa de las Americas van vele Spaanse kuststeden. Wij, wij verbergen ons snel in een taxi naar het hotel.

Living Room

Ubud, Bali.

We denken er niet meer aan (foto’s), het is uit onze geest verbannen (foto’s), we willen de laatste dagen genieten (foto’s) en ons (foto’s) geen (foto’s) zorgen (foto’s) (foto’s) maken.

Onze laatste bestemmingen liggen allemaal (2) in het Zuiden van Bali, vlakbij Kuta. Kuta heeft al een paar terroristische aanslagen te verduren gehad. De grootste was in Legian en heeft het leven gekost aan wel 200 mensen. Daardoor is het toerisme in Indonesie de laatste 5 jaar gekelderd.

We hebben met Indonesiers gepraat en bijna allen spraken ze hierover: door het ineenstorten van het toerisme zijn heel veel mensen het werk kwijt geraakt, werden mensen depressief, zijn de lonen gekelderd, moeten de mensen een fulltime job nog combineren met andere jobs om hun familie te kunnen onderhouden.

Het is soms erg om te zien hoe lomp de toeristen kunnen zijn tegenover de Indonesiers; op straat, waar ze de offertjes wegschoppen; in short en met ontblote schouders (de mannen) okselfris ’s avonds een restaurant binnenstappen of op die manier tempels betreden. Het contrast met de zachtaardige, soms in sarongs gehulde en anders in lange (of 3/4 lange) broek geklede Indonesiers is groot.

Een chauffeur van het hotel brengt ons naar Seminyak, Kuta, Bali. Het is ruim een uur rijden en we zien dat de man ontzettend moe is. Zijn ogen vallen tijdens de rit vaak dicht. Iza zweept en zwengelt de conversatie aan, we maken af en toe scherpe geluiden en lachen om elkaars meest idiote grappen (vooral heel luid). Het lukt ons om de man wakker te houden; hij is te trots om op onze vraag in te gaan even te stoppen om wat te slapen.

Opgelucht en vermoeid van concentratie komen we in het hotel aan. We zitten dit keer op de eerste verdieping van een bungalow, met een ruim bed en een waaier aan internationale tv-kanalen (naar het schijnt). Voor het eerst hier in Indonesie zetten we de tv aan (ik vraag me zelfs af of we al tv gehad hebben op de kamer), op een hersenloze zender met een in het Indonesisch ondertitelde film.

Na een zwempartijtje gaan we eten in een mooi lounge restaurant, een fusion restaurant where East meets West en waar de smaken gereisd hebben: The Living Room. Er hangt een prachtige luchter die Iza in vervoering brengt. Als toetje nemen we de chocoladefondue, dat doet ons denken aan onze maatjes thuis. De chocolade is maar wat flauw, maar wat we in het slappe sapje soppen is heerlijk: meloen, peer, gecarameliseerde banaan…

Chocoladefondu Lusterken

Terug in het hotel gaan we op Internet en verlies ik bijna al mijn vocht via de sluizen van mijn porien.

Goreng

Ubud, Bali

Vandaag ben ik de dag in alle vroegte begonnen met een ayurvedische massage. Ketur, die mij met uitzondering van de voetmassage al alle massages gegeven heeft, is ook nu de masseuse van dienst. Ik zeg "Dida Terima Kasih" (neen, dankjewel) tegen het servetje dat ze me aanbiedt en ik ga spiernaakt (en spierwit, want gebruind ben ik niet echt op die twee weken) op de massagetafel liggen. Mijn lijf heeft geen geheimen meer voor haar; althans geen met het blote oog waarneembaar in deze omstandigheden. Ze kent elke bult en onregelmatigheid. Dus waar nog doen alsof?

Mijn ganse lijf wordt tijdens de behandeling overgoten met warme olie en vervolgens gemasseerd. Tweeeneenhalf uur pure relaxatie. Als ik op het einde -gewikkeld in een sarong- met de voeten in een bloembadje zit, heb ik uitzicht op de rijstterrassen.

Het weer vandaag is Belgisch slecht. We zijn wakker geworden van de regen, we zijn opgestaan met regen en daarna gaan we maar shoppen (met regen).

Eerst springen we binnen in Cafe Wayan waar we proeven van stukjes taart. De Death by chocolate is naar Belgische normen maar braafjes. Ze is lekker, maar ik had een grotere chocoladebom verwacht (we zijn al wat gewoon). We willen vertrekken maar een enorme regenbui plenst neer. Hier in Cafe Wayan zitten we in de tuin, in een pagode. De bediening sloft dus van pagode naar pagode en wordt daarbij nat. Grote paraplu’s worden daarbij bovengehaald. Het grappige is wanneer iemand geen paraplu heeft, dan houdt hij of zij de hand boven het hoofd. Niet opdat ze niet nat zouden worden, maar Indonesiers geloven dat je hoofdpijn krijgt van de neervallende regendruppels.

In pagode van Café Wayan

Als het wat minder regent, wagen we ons -met gevaar de gezondheid hiermee te schaden- de winkelstraat in. We hobbelen tussen de regendruppels, winkeltje in, winkeltje uit. Langs de straten zitten tientallen mannen die hun diensten ("Taxi?", "Transport?") aanbieden. Ze dringen bijna nooit aan en geven je een net zo charmante glimlach als je hen vriendelijk bedankt. Ik heb mijn charismatische, ontwapenende, vredelievende en charmante glimlach geoefend op Java en Bali, dus kan ik met de schattigste smile "No, thank you" of "dida terima kasih" zeggen. En zij, zij bedanken me zelfs nog. Ik ben benieuwd hoe lang het zal duren, eenmaal in Belgie terug, alvorens ik weer zo zurig als beerkes zal kijken. Ik zou zeggen: mensen, geniet ervan.

Waar ga je eten in een leuk kunstenaarsstadje in Indonesie, waar het ene restaurant naast het andere souvenirwinkeltje naast het gene massagecentrum naast het andere restaurant gelegen is? Juist: de Japanner. We hebben nu al twee weken bakmi goreng (gebakken noedels), pisang goreng (gebakken banaan), nasi goreng (gebakken rijst) en mi goreng (gebakken fijne noedels) gegeten (lekkere goreng zowel als gore goreng). En we hebben ook wel al typisch Javavoedsel en Yogyamaaltijden en Bali-eten naar binnen gewerkt, dat het tijd werd voor wat anders. Wisten jullie trouwens dat bami in Indonesier bakmi heet en dat er geen recept bestaat voor nasi goreng, dat de kok gewoon het overschotje rijst en groenten van de dag ervoor in de wok gooit en bakt (dit is trouwens een typisch Indonesisch ontbijt) en dat de Indonesische rijsttafel (met wel 25 verschillende gerechtjes) nauwelijks te vinden is en dat ze hier "Nederlandse rijsttafel genoemd wordt" omdat dat een uitvinding is van de Nederlanders? In die tijd nodigden ze elkaar uit op de plantages en brachten ze allemaal gerechten mee. Ze staken elkaar de loef af waardoor er op den duur wel 20 gerechten op tafel kwamen (Bedankt, Peter voor de info). Wisten jullie dat allemaal? Echt? Pfff, okay dan, da’s dan ook meteen de reden waarom wij naar hier moesten komen en jullie verlekkerd thuis mochten blijven: wij moesten het nog ontdekken.

En zo hebben we ook ontdekt dat "de Japanner" hier in Ubud best lekker is en dat heel veel Indonesiers een zeer goed Japans spreken voor de vele Japanse toeristen die hier (soms wat platvloers arrogant) beginnen ratelen tegen de lieve, ingetogen Balinezen. Deze laatsten blijven overal "arigatoo gozaimasu" achteraan aankleven.

Luchthavenfret

Foto: PizzaHut Zaventem

Met Iza reizen is altijd een beetje eten. Het begint meestal op Zaventem. Ofwel zijn we in ’s vogels vroegte op de luchthaven en pikken we een uitgesteld ontbijt binnen. Ofwel valt onze kwijlende tong op de evenwichtige voeding van PizzaHut.

Ik weet niet wat het zal worden, dat bloggen. Momenteel blog ik op de ouderwetse manier: met pen en papier. Afgelopen weekend nog lachtte een manspersoon mij niet geheel onterecht uit dat we maar voor 3 weken weg zijn en ik toch alle moeite zou doen om te bloggen. Misschien was hem overtuigen een net zo gekke onderneming als twitter uitleggen aan Shakespeare.
Ach, ik heb nood aan een iPhone, en mijn iPod heeft te weinig ‘Touch’ gehalte om overal wireless connecties te snoepen om zo mijn frivole reispasjes te zetten op ’t Interweb. Verslaving is zoet, de ontkenning zoeter. En nu airport shoppen.

Foto. Singapore Airport