Van Dardense Pornotapijten

Ik vertrek morgen op weekend. Het is verbazingwekkend hoeveel je toch altijd meesleurt. Dat je nooit alles nodig hebt wat je meeneemt, weet iedereen. Maar je hebt ook altijd dingen niet mee. Het probleem zit hem in de “wat als”-jes. Wat als het daar echt koud is ’s nachts; wat als er veel nachtlawaai is; wat als ik daar ineens aangevallen word door een agressieve eekhoorn omdat ik het vuil in de vuilbakken gooide tijdens zijn winterslaap en hij mij met (spare)ribs van de vorige huurder bekogelt. Je zal op dat moment maar eens je doosje Nurofen vergeten zijn!

We gaan niet naar de Dardennen om te wandelen of om te genieten van de Siberische natuur. We gaan om te werken, om een theaterstuk te maken, om creatief uit de hoek, de mouw en op de koord te komen. Verwachtingen, mijnheer, ze zijn gespannen als een zijdedraadje uit de rupsereet.

Je moet kunnen vastleggen op papier, op beeld -bewegend en stil- en in ’t koppeke. Daarom sleep je al die rotzooi mee!
Maar hopelijk komen we in mei met een voorstelling waarvan we dan zeggen: weet je nog, dat weekend in januari, we lagen in het midden van de nacht -languit- op het pornotapijt, geen camera of papier in de buurt, maar toen werd dat geweldige idee geboren; niemand weet wie ermee kwam, het was er ineens.

Compassie

Ik kan het horen. Je haalt het uit haar stem: de vraag of ze het me wel zou zeggen. Niet omdat ik slecht zou reageren, maar omdat ze me er niet wil mee bezwaren.

Welke boodschap is zo ernstig dat je er de slaap voor laat? Hoe dicht moet de pijn komen alvorens je ze zelf voelt?

Lange tijd koesterde ik het kinderlijke vertrouwen dat alles ooit goed zou komen. Als je maar lang genoeg zoekt, dan is er wel een dokter (klassiek of alternatief) voor elk probleem. Het liet me toe om gelukkig te zijn, zonder onverschillig te worden. Ik luisterde en begreep, daalde af in de put waarin ze zaten om er dan weer uit kruipen (liefst samen met hen).
De laatste jaren vertoont dat naïeve vertrouwen ouderdomsverschijnselen. Ik ben andere betekenissen moeten gaan zoeken voor ‘het komt wel goed’.

Ik geloof niet in medeleven, in mee-voelen. Niet dat het niet mogelijk is, wel dat het niet zinvol is. Wat heeft de ander eraan dat ik zijn pijn overneem? Uiteindelijk willen we oplossingen, of willen we ons verhaal kwijt, vragen we alleen wat begrip. Toch?

Is die overtuiging de concretisering van ‘in het nu leven’? Het eten van 1 rozijn? Het luisteren naar het klappen van 1 hand?

Als je wil vinden zonder te zoeken, moet je ook voelen zonder te tasten.