Van die keer dat ik me afvroeg: “Zijn het cactussen, vetplanten of olijfbomen die groeien uit sinusoidale pijnscheuten?”

Vannacht.  Pijn.  Ongelooflijke pijn.  Alsof er een olifantje in de schedelholte tussen mijn ogen gepropt zit.  Een olifantje dat wat winterkilo’s bijgewonnen heeft.  Ik sterf.  En als het nu niet is, dan wel van zodra ik mijn hoofd tegen de witte muur geplamuurd heb.  Ik voorzie slierten bevrijde hersenen als een grijs pied de poule motief.  Het heeft wel iets –aaargh–  Ik hou mij in.  Misschien dat liggen helpt.  O nee, verkeerd idee.  Het olifantje is ook gaan liggen.  Ik veer weer recht.  Het olifantje heeft moeite om te volgen.  Drup.  Drup.  Het beestje verliest vocht en het drupt in mijn mond.  Bah.

Als ik mijn mond open doe, komt er gekerm uit.  Beverig, als een zenuwachtige buikspreker.  Ik hoor hem zeggen “waarom”, “waarom nu”.  Hij animeert een bultrug “waaaaaaaaaarooooooooooom iiiiiiik?”.  Het olifantje wil er uit en begint te stampen.  Dumbo, koest!  Ik ga liggen op mijn zijde.  Pijn.  Andere zijde.  Pijn.  Heb ik nog een zijde?  Neen, maar wel pijn.

Ik heb een voorschrift, bedenk ik me met het restje hersenen dat nog niet bezig is met pijndetectie. Sinutab Forte.  De gedachte bij het laatste woord sust Dumbo.  Maar ik heb nog steeds pijn.  Ik draai mezelf in mijn kleren, strompel de trap af; alles klinkt zo schreeuwerig.  Het is half twee.  Half twee!  Mijn hemisferen spelen gespleten Repelsteeltje en delen zich gedwee in twee.  Mijn linkerlichaamshelft wil met de auto naar de apotheek rijden, de rechterkant kiest het hazepad.  Op de jachtweg vinden ze elkaar terug.  Ik kijk reik- en kokhalzend uit naar medicijn.

De Dendermondsesteenweg is verlaten.  Leeg.  Eenzaam zoek ik de apothekersbel.  Na vijf minuten krast de parlefoon: voor wat is het?  MIjn ironie-synapsen sturen de boodschap “een blonde Leffe, maar ‘t mag in ‘t fleske”, maar dit bericht komt nooit aan.  Ik zeg: “pillen”.  We krassen nog wat woorden over en weer, ik die nog niet heb kunnen slapen en de verdoofde apothekersvrouw die niet meer zal kunnen slapen.  Het grote metalen valluik gaat open en ik gooi er het briefje in.  Gemompel aan de deur.  Ik sta weer alleen.  Zouden er ruikers hyacinten uit mijn neusvleugels bloeien als ik eens goed zou snuiten?  Gestommel.  Woorden achter de deur.  Gesjoeefffft.  Een auto dendert over de steenweg.  Ik gooi geld in het bakje zonder dat ze begint te zingen.  Het luik buldert weer open.  Ik neem wisselgeld en medicijn terug, het luik wordt als een slotpoort gesloten; ik behoud hand en vingers.

Over de talloze verkeersdrempels die als pneumatische hamers op mijn schedel bonken, geraak ik uiteindelijk thuis.  Het liefst van al zou ik de Sinutab oplossen, opwarmen en met lange naald achter mijn oogbol spuiten, maar een eenvoudige hap-drink-slik beweging helpt ook.  Nog even niet.  Eerst een half uur wachten.  Met.  Pijn.

Een reactie op “Van die keer dat ik me afvroeg: “Zijn het cactussen, vetplanten of olijfbomen die groeien uit sinusoidale pijnscheuten?”

  • 17 december 2008 om 10:09
    Permalink

    ‘beloning’ is een goede motivator…
    ‘pijn’ is er een betere!

    😉

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *