Speech – Feestje

“Maes, voor mij ook!” Dat waren de eerste woorden van onze vriendschap. Niets, geen gevleugelde woorden als “One for all, all for one” of “Makkers, maten, …”. Maar wel een vleugellam “Maes, voor mij ook!”. We zaten in het practicum Engelse literatuur van het eerste jaar Germaanse. Ik had Peter al vroeger leren kennen in het humaniora, Sint-Lievens, Zilverenberg. We zaten niet in dezelfde klas, wel in hetzelfde jaar. We hadden elkaar al wel eens van verre opgesnoven als twee puberale cayennehonden en het was eigenlijk niet meteen vriendschap op het eerste zicht. Laten we het er op houden dat we elk op een andere manier uitdrukking gaven aan onze afkeer voor de schoolse regelneverij. Ik ging in niet-aflatende, waarschijnlijk doodvermoeiende, discussie met mijn leerkrachten. Vandaar mijn latere filosofie-roeping. En Peter gooide zijn creatieve ideeën op het “sani”-tair en vrouwelijk onderwijzend personeel; het is me totnogtoe niet duidelijk tot welke roeping hem dat gebracht heeft.

Maar kom, terug naar het practicum Engelse literatuur. Peter zit een paar rijen hoger in het auditorium dan ik. De assistente Engelse literatuur heeft een aantal kopietjes oefeningen die ze beneden uitdeelt. Ik slof met wapperende haren naar beneden en ik hoor: “Maes, voor mij ook.” Ik draai mij om gssjoew en kijk met enige désdain Peter recht in de ogen. Het is sowieso al moeilijk om met désdain naar boven te kijken. Ik bedoel, dít gaat… maar dít??? Bref, ik kijk hem aan… en breng een extra bundeltje mee. Deze wederzijdse expressie van filanthropie zou aan de basis liggen van onze vriendschap. In een parallel universum was er misschien dit (da finger) gebeurd en wie weet met wie had ik toen hier gestaan.
We zwengelden moeiteloos de vriendschap op gang met een uitwisseling van gedachten over vrouwen, de wijven maar vooral over meisjes en we schreven hen POO-EE-ZIE. Peter leerde meisjes kennen in wie hij telkens weer een muze vond, ik schreef de muze aan om meisjes te leren kennen. Maar we waren het erover eens: gedichten zijn het beste glijmiddel.

Op een blauwe maandag, witte donderdag of roze zaterdag –ik wil er van af zijn- zat ik in het computerlokaal te tsjetten. Het waren de begindagen van het Internet en IRC (of chatrooms) vulden een groot deel van mijn sociaal verkeer; in het midden van mijn betoog, werd ik gestoord door een meisje dat achter mij zat en in mij Nerd Aid vond, en die wat weg had van Iza nu, maar dan wel een beetje jonger.
Mannen categoriseren vrouwen tijdens de eerste 4 milliseconden van een eerste ontmoeting in “neukbaar” vs. “niet-neukbaar” (de classificerende termen kunnen variëren op basis van gepresteerd alcoholverbruik, knallend testosteronvuurwerk of celibaathaat). Maak u geen illusies, vrouwen hanteren dezelfde classificatie, alleen heet het bij hen: “hij heeft een schoon poepke” vs. “’t Is waarschijnlijk nen heel sympathieken”. Dus, ik kijk Iza aan en denk… “Goh, dat ziet er mij nu nog eens een lief meiske uit, met zo’n proper, fris gezichtje; en zo van dat schoon lang haar, en die combat shoes onder dat korte shortje, zou ze echt zo’n harde zijn of zou dat eigenlijk best nog meevallen, en zou ‘k eens proberen om er toch eens drie zinnen tegen te zeggen?”
Dat ging in mij om de eerste 4 milliseconden, of zoiets. Resultaat: we deden een klapke. De volgende keer dat ik haar zag, regende het… een beetje… zij zag mij eerst, ik zag alleen een knalpaars-irritantroze fluoduo kaweeke op nen mannenvelo. ’t Heeft toen maanden geduurd vooraleer we weer contact hadden met elkaar.
Op een dag komen we Peter tegen en Peter vraagt Iza: “Kan het zijn dat ik nog een liefdesbrief van jou liggen heb?” – Iza ontkent in alle Chinese toonaarden. Als officiële introductie tot mijn vriendenkring kan zoiets wel tellen. Ik twijfel om wat afstand te nemen van de situatie, want per slot van rekening was Iza sowieso al verwikkeld in trilaterale verbintenissen, maar gelukkig wordt alles in de kiem en de doofpot gesmoord.
Een paar maanden later leren we Badra kennen die Peter tot de zijne gemaakt had nog voor Iza overtuigend de mijne was. We schrijven 1996. Peter, er kan dus gediscussieerd worden of de jouwe veel langer is, of de jouwe veel langer de jouwe is dan de mijne die van ons.

Kijk, ik ben fantastisch. Neen, maar da’s echt. En da’s altijd zo geweest. Ik sta ’s morgens op en denk: goh, wat ben ik fantastisch, maar het kost me mateloos veel moeite om dat te verbergen voor de buitenwereld, dag na dag. Ik heb nooit veel vrienden gehad, maar dat komt omdat ik mij alleen maar laat omringen door fantastische mensen.
Neem nu Badra, die met een spitse geest en stoïcijnse informatiehonger weet door te dringen tot de kern van haar gesprekspartner;
Of Peter die met een charismatische welbespraaktheid zelfs onze koningin nog haar zijden onderbroek zou weten te ontfutselen, met kanten rand.

Iza, meisje, wat moet ik over jou zeggen wat anderen in het verleden over hun geliefdes nog niet gezegd hebben? Ik zou kunnen citeren: Christopher Marlowe met

Was that the face that launched a thousand ships and burnt the topless towers of Ilium?

of Shakespeare met

My mistress’ eyes are nothing like the sun,
Coral is far more red than her lips’ red. […]
And yet by heaven, I think my love as rare
as any she belied with false compare,

maar ja, dat glijmiddel heb ik nu –denk ik- niet meer nodig, toch?
Herman De Coninck schreef ooit:

Er zijn vrouwen van wie ik precies kan zeggen waarom ik van hen hou. En er zijn vrouwen van wie ik dat niet kan zeggen. En van hen hou ik het meest.

Naaaah. Iza: I love you for the things you are, I adore you for the things you are not.

Peter, Badra, breien jullie er nog wat decennia bij? Musschoot, Djait, Van Waes… (toast!) Voor mij ook!