Snif

Een gecollecteerde verkoudheid (van het type dat in de Vlaamse volksmond ‘snotvalling’ genoemd wordt) is een ideale gelegenheid om de nieuwigheden in het arsenaal papier mouchoireke te herontdekken. Het zal de opmerkzame (dus vrouwelijke) winkelganger niet ontgaan zijn, dat er een variëteit bestaat in kleur, zachtheid en ook geur.

Mijn laatste ontdekking op dat gebied is de Eucalyptuszakdoek, groen en nauwelijks gefermenteerd. Één neus-blow gevolgd door een kleine “Where is the love”-sniff en je neus bloeit open om je vervolgens weer te herinneren hoe heerlijk het kan zijn om in Brussel stad rond te dwalen. Op deze nasale tocht passeer je eerst Mount Ricola, met overnachtingen in hut Vickx, om daarna losbandig teruggekatapulteerd te worden naar het stadsleven waar je elke uitlaat als inhaler aanwendt.

Kortom, zo’n zakdoekjes brengen je in een totaal nieuwe dimensie.

Een vreemd toilet is voor vrouwen een ietwat complexere zaak dan voor mannen zo lang het gaat over een klein commiske. Vrouwen inspecteren eerst (bij voorkeur in troepen van 3 of 4 vrouwen) het toilet dat er het minst goor uitziet (en checken vooral het slot), gebruiken de eerste toiletrol om de wc-bril volledig te bedekken (of die er nu pisgeel of kraaknet uitziet) om zich dan halfzweverig boven deze stapel papier te houden, zich klem houdend tussen de wc-muren met de laatste velletjes toiletpapier in beide handen. Dat vrouwen slechtere mikkers zijn in deze plasonderneming dan mannen en dat ze door deze ganse wceremonie eerder bevuilers zijn, dat moet hen ontgaan zijn. Mannen daarentegen -althans wanneer ze zich op de pot moeten begeven- planten zich gewoon neer, eventueel de paar niet al te hardnekkige brokken verwijderend, onder het kinderlijke adagio “als ge het niet ziet, is het er niet”.

Ietwat genuanceerder is het bij De Gruute Commisse. Vrouwen zijn veel meer voorbereid op deze intestinale exodus. Zo gebeurde het mij dat ik na 3 uur lang de spanning opgebouwd te hebben, mij eindelijk eens goed kon laten gaan. Op zo’n moment van puur delirium check ik natuurlijk niet de beschikbaarheid van het toiletpapier dat over het algemeen in overvloed aanwezig is. Die dag niet dus. Een contractie van pure paniek maakte zich van mij meester, edoch te laat. Elvis had already left the building. Als een junkie in the need for speed ging ik bezeten op zoek naar vervanging. Ik plunderde mijn zakken, vond boodschappenlijstjes die ik verloren waande en o divine divinity een zakdoek. Groen. Ik ruik de eucalyptus. Ik twijfel. Ik probeer de geur wat weg te blazen. Ik sluit mijn ogen en doe mijn ding. In de volstrekte overtuiging dat ik net Mentos supositoir opgestoken heb, nijp ik vervolgens de billen samen om euforisch het pand te verlaten. Een paar uur lang geniet ik van de balsem die mijn innigheid soigneert. Absoluut geweldig.

Dr Feelgood

Hehe, pufpuf, daar zit je dan. Je hebt je half zo dun gewurmd tussen de blatende, maar vooral ochtendlijk stinkende en kreunende meute die zich voor de deuren van de trein geperst heeft. Het is opvallend stil zo ’s morgens vroeg, maar snijdende blikken van medereizigers die bang zijn geen geschikt plekje te vinden kletteren tegen de donkere ochtend. Eens neerzijgend op een stukje bank valt ook dat geweld weg en zinkt iedereen weg in zijn Metro, zijn iPod of zijn Heilig Dutje.

Het is een periode waar ik geen tijd meer heb om 5 minuten niets te doen. Elk moment is gevuld. Ik schrijf wat notities op de trein “work work work” of studeer er my lines voor Middernacht. Ik eet op de meest onmogelijk momenten en plaatsen. En wat ik eet is zo’n junk dat ik shiatsu- en macrobiotiekgewijs mijn hart vasthoud. Na het werk rep ik mij naar repetities of lessen of supermarkten voor de hoogstnodige boodschappen. Bovendien worstel ik met een verkoudheid die al mijn ganse vrienden-, kennissen-, familie- en werkkring heeft rondgedaan en waarbij ik als laatste schakel de varianten van elk van hen integreer. “Don’t call me no doctor filling me up with all those pills”.

En nu verglijd ik -als het u belieft- in mijn 8.2 minuten in te halen slaap.