Rijtjes

Gewapend met een boek dat ik wil uitlezen, ga ik naar het belastingskantoor.  Wegens vreemde onregelmatigheden ben ik wel verplicht om mij persoonlijk te gaan aanmelden.  Nog 3 dagen te gaan om dit alles in orde te brengen, daarna volgt een genadeloze boete.

Laat ik nu toch wel één van de velen zijn die er aan dacht dit nog snel te doen.  Er blijken zo maar even losjes 50 wachtenden voor mij te zijn.  Toegegeven het rijtje gaat snel vooruit.  En kijk eens, de Gentse Feesten zijn nog niet echt voorbij, want we slaan zowaar een zomers babbeltje met elkaar.  Hoe snel het toch niet gaat (en hoe navenant gauw ik van dit simplistisch gezwets verlost zal zijn) en dat de buurvrouw van mijn rij-buurvrouw gewoon alle informatie in de bruine envelop gooit en niet eens iets invult, en …  Ik laat deemoedig het hoofd en mijn boek hangen.

We stappen weer wat dichterbij.  Krijsende kinderen die zich rond de stijlen van een koude trap draaien, worden door moeders weer in het gelid getrokken.  Een enkeling komt bijna euforisch terug, hij heeft zijn ding voor dit jaar gedaan.  We stappen dichter en ineens zie ik dat je ook een nummertje moet trekken als je gewoon informatie wil óf dat je verder moet aanschuiven als je je belastingsbrief wil laten invullen.

Kijk, daar krijg ik het Fins zweet van.  Je moet eerst al drie kwartier rijen alvorens je ziet dat een aantal feniksen een “Er-zijn-nog-x-wachtenden-voor-u” stickertje gaan halen zijn om vervolgens snel thuis nog even de kat te aaien: want zij willen niet te lang in de rij staan.  Uit puur 1302-protest neem ik én een ticketje én blijf ik onverstoord in de andere rij staan. Ze zullen hem niet temmen!

Ik ontmoet de sfinks. Kaarsrecht en was-lelijk zit ze achter een grauw bureautje. Het valt me eerst wat moeilijk om haar van haar decor te onderscheiden. Ze is echter de vriendelijkheid zelve en stemt met alles wat ik zeg meteen in, als pas-ingeweken allochtoontje die geen jota begrijpt van ons koeterwaals. Mij ontbreekt de fut hiertegen in te gaan, dus sta ik op, een laat ik met een diepe reverance de sfinx aan de volgende.

Nat

De wondere wereld van het tuinieren. Het behoeft geen betoog dat ik allesbehalve groene vingers heb. De enkele keer dat ik in de buurt zou komen is wanneer ik mijn vers muntplantje (het is ondertussen veeleer een arsenaal aan muntplantjes geworden) plunder om uitzonderlijk heerlijke, Marokkaanse muntthee te maken.

Nu blijkt onze pelouse verdorven vol te staan met 1/2 grasveld onkruid. Eerder al kon ik des morgens 250 klaprozen bewonderen die zich voor ’t krieken van de dag feestelijk naar mijn ochtendraam hadden gekeerd (de nachtelijke walm die de slaapkamer op dat moment hun richting uitblies deed hen terstond dichtklappen -edoch dit alles terzijde). Naast dit bataljon klaprozen (die ik achteraf onder hun frisse oksels van de aarde heb ontheemd) blijkt er ook nog ander onkruid de revue te passeren, waaronder klaver.

Dus worden er hier korrels gezaaid, en moet een vernuftig sproeisysteem het gras nat sproeien. Het ding geregeld krijgen is het werk voor een echt genie, want ofwel sproeit het niet ver genoeg, ofwel heb je de auto van de buren viezig bevlekt met het regenwater van onze jongste zomer.

En ineens komt een schare giebelende meisjes aan de omheining staan wachten op een vlokje water. Ze zijn uitgelaten, halen er alle vriendinnetjes bij. Ze laten zich luid horen als we het sproeisysteem even een ander stukje laten bewateren. Als ik uiteindelijk de waterkraan dichtdraai, schrik ik van het handjevol pré-pubers die in ware Scala-stijl jubelen: “Ge moogt mij nat maken”. Meisjes, zwijg stil.

Altijd al geweten dat ik het goed doe bij meisjes onder de twaalf en vrouwen over de 70, ook al is laatste groep in geen mijlen te bespeuren, wie weet omdat ze zichzelf al incontinentatief nat maken.

Day One

Als een weesje, zielig voor zich uitstarend, zo kijk ik vandaag naar de kinderen die op straat spelen. Er is vandaag een stilte, maar geen rust over dit huis neergedaald. Nog maar een paar uur, en ik heb al het gevoel dat ik geen blijf meer weet met de tijd, en dat terwijl ik zovele leuke knusjes in dit huis kan ondernemen.

Meteen gaat alles fout. Ik gooi glazen in scherven, struikel over mijn eigen lengte en loop te kniezen, mezelf wentelend in het stort van Mont Saint-Amand, aka onze woonkamer. Ooit hadden we koloniale meubelen -prachtig donker hout-, helrode fauteuils en kleurige kamerplanten. De laatste tijd is alles gewoon vaalgrijs geworden, het lijkt wel alsof het bedolven is onder het debris van ground zero.

Dat wordt komende weken delven naar overlevenden; de eerste overlevenden die ik al gevonden heb, zijn onze belastingsbrieven die -o jee- eind deze week keurig ingevuld moeten zijn. Ik heb al meteen geen zin meer om verder te zoeken.

Ik voel de rauwe stemming tot in mijn longen, of ben ik gewoon zwaar verkouden?

Les temps changent

De vliegtuigen scheuren over Brussels Buildings.  Zonder de minste, doordachte hersenactiviteit laat ik me uit mijn stoel glijden en kom onder tafel twee collega’s tegen.  We zijn met zijn drieën bibberend in paniek: het WTC is hier op een kleine vliegtuigwenk vandaan en we zien alras brandende gebouwen in elkaars ogen gereflecteerd.  Ik debiteer tussendoor nog snel mijn literatuurbevindingen (ik lees momenteel een boek over de relatie tussen de familie Bush en het huis Saud) waardoor mijn mannelijke collega schorvoetend, edoch wat vertwijfeld, tsssss schudt en mijn vrouwelijke collega druk stampend (het lijkt wel alsof ze als een moer haar kroost optrommelt) haar nagels opbeuzelt (van handen en voeten).

 

Maar dan, o vaderlandsch lievende trots, herinner ik me ineens dat we op twee dagen van onze Nationale feestdag staan, ik spring terstond recht, beuk zowaar een gat door de tafel, en begin “O dierbaar België” te scanderen, uit volle en met tafel beladen borst.  Deze generale repetitie is alleen aan mij en de piloten van de laagvliegers besteed.  De rest gaat weer overijverig aan het werk, binnensmonds vloekend dat ze nu toch wel hun trein gemist hebben zeker.

 

Ik probeer nog wat reactie los te krijgen, geef hen een vriendschappelijke por wanneer ik bij “Voor Vorst, voor Vrijheid en voor Recht” aanbeland ben, en nog eens “Voor Vorst, voor Vrijheid en voor Recht”, en nog eens…

’t Zal wel aan het zomerse “Gentse Feesten“-gevoel liggen dat branderig door mijn aderen stroomt. Ook al sijpelt het elk jaar wat meer uit mij, toch is mijn fierheid niet heengevoare.

Mikrozoft

Zondagnamiddag, een verloren invulling van een anders prettige dag: het familiefeest. Al zo lang het gehouden wordt, is er weinig feest aan, en de familie hangt ook met de haken en ogen van een versleten derdehandsjas aan elkaar. Kinderen en annexen keurig samenstoelend, als vanouds bij elkaar gepropt. Moet dit dan bonden?

Loeihard en o zo inschikkelijk subtiel gooit een annexje mij wat IT-voer voor de voeten, denkend dat hij mij hiermee van mijn sokken jaagt. Zijn overdreven bewijsdrang doet dat werk al, dus, ik hou me gedeeltelijk op de achtergrond.

Aan de andere kant van de tafel, een luidruchtig tafereel waarin een aantal opgeblonken pionnen in een schaakspel elkaar onder tafel lachen; het gebulder deint -in db nauwelijks afnemend- uit naar andere huizen in de buurt.

In het overgangsgebied, the Demilitarized Zone, is het muisstil. Een gelaten stilte, van verveling gapende kraaien, die zich noch in het ene, noch in het andere spel willen mengen, of hooguit wat onder elkaar aan het konkelen zijn.

En ineens ben ik het beu, en wil ik gewoon weg.