Stormloop

Om 4 voor twaalf staat hier een gelaten menigte ongeduldig te wachten om te kunnen prikklokken. Keurig in een rij, want wie eerst komt, eerst prikt.

2 voor twaalf, het gonst doorheen de rij: nog twee minuten. Een enkele gsm gaat af: “Waar blijf je? Bestel ik al iets? – Doe maar een lasagne, ik ben er over twee minuten.”

Nog één minuut, en de eerste staat al in aanslag, klaar om genadeloos toe te slaan, niet meer om zich heen kijkend, maar met de magnetische kaart op 4 nanometer van de lezer. Een andere enkeling, achterin de rij zet zijn horloge juist. Volgende keer heeft hij de tijd juist en staat hij aan het begin van de rij, opgefokt te trippelen van het ene naar het andere been.

bleep, het hoofd van de rij stuift weg. De rest volgt in een ijl tempo.

Tien voor vier, uit alle deuren razen haastige elkaar vertrappelende pendelaars om eenzelfde tafereel te herhalen. Er wordt al eens gevloekt als het allemaal wat langer lijkt te duren, want ze hebben allemaal een trein te halen.

Maar nu schieten de meesten weg om voor 2, 3, 4 of 5 weken vakantie te nemen. De rust keert terug en vooral het zal hier spookachtig dwalen worden doorheen de gangen die nu ook voor vier uur leegte ademen.

Jubilee

25 jaar Speelteater, 10 jaar Kopergieterij. Ik vraag me af of ik er deel wou van zijn en niet gewoon toeschouwer. Als ik in een zaal zit waar anderen op het podium staan, dan begint het altijd te jeuken. Niet van “dit doe ik beter”, maar er ontspringt dan steevast een pruttelende bron aan ideeën, van “he, je kan dit er ook nog bij doen”.

13 jaar geleden, op zich geen jubileum om te vieren, eerder iets om haastig onder de balletvloer te vegen, spots eensklaps te dimmen en het ongezellige zaallicht weer aan te knippen. Altijd gezegd dat ik het ooit wel weer zou doen, op dat podium staan, dansend, (nou nee, niet zingend), toneel of poëzie declamerend of improviserend, … Steevast vooruitgeschoven, maar zo’n avondje als vrijdag brengt de drang naar boven en wil het nu, nu, nu.

Maar de confrontatie met mensen uit dat verleden is niet zo inschikkelijk. Té harde confrontatie die me oproept de balans te maken (waar staan zij, waar zit ik). Het brengt herinneringen naar boven naar stemmingen die ik eerder niet geconcretiseerd wil. Ik kabbel snel naar buiten, want ik krijg binnen geen adem meer; weldra eis ik die adem wel terug op, binnenin, op een podium.

Toegift

Eigenlijk ben ik een ongelooflijk verstandige knul, maar heb ik het al decennia lang perfect weten wegsteken. En het dronkemansgebrabbel dat ik zelfs in nuchtere toestand uitbraak, helpt me bij dit verbergen. Echte kenners daarentegen zagen deze mist van onwetendheidsveinzerij al langer voor hun neus optrekken, en een enkeling heeft zijn spijtbetuiging annex meelevendheid geuit voor de verschrikkelijke eenzaamheid die mij als spannende, leren SM-outfit omhult.

Dit gevoel van eenzaamheid is niet nieuw. Van zodra ik doorhad dat ik ’s werelds intelligentst (nog levend) individu was, en ik kokhalzend de stroom van andermands idiotie over mij kreeg, voelde ik de donderslag van El Solitudine over mijn gerechtigd kruis bonken.

En dan, dan komt het moment dat je als gonzend brein je ivoren toren verlaat en je je wat socialer opstelt. Je wil de eenzaamheid doorbreken, iets wat in den beginne lijkt te lukken. Je babbelt, keuvelt, kwebbelt en kwettert en mensen beginnen je ineens leuk te vinden. Je schertst, je cyniceert en zowaar je kan ook nog grappig uit de hoek komen. Maar van een integere catharsis is er geen sprake, want de tweespalt tussen intellect en sociaal gevoel drijft je alweer in de duisternis van het solimpsisme. Vandaar dat ik het verstand welberedeneerd afgezworen heb. Vanaf nu kan ik fouten maken.

Koreaanse laxatie

Vrijdagavond, afgepeigerd na een week vroeg opstaan en een ganse dag op automatische piloot werken. Een cursusje “Koreaanse Relaxatie” lijkt er nu wel vlotjes in te gaan. Volledig voorbereid met een buikje sushi, stel ik me eerst zuchtend en kermend (?) open voor de vrouwelijkheid die ik in dit weekend naar verluidt mag ontvangen én opzoeken in mezelf. Vervolgens moet ik met de ogen geloken een glimlach toveren in mijn ogen en die daarna naar binnen laten schijnen naar mijn schaal (?) of als dat beeld me meer zou liggen, mijn composthoop.

Zaterdag volgt het vervolg. Ik moet me connecteren met het vlies dat ons allemaal verbindt. Hook up, little darling. Ik denk alleen nog maar aan afhaken, maar probeer me sterk te houden als we elkaar beginnen af te stoffen. Ik krijg nagenoeg een allergische reactie van al dat ronddolend stof en vooral van de Ur-leerlinge die met opengesperd-gapende mond zichzelf bijna transcentaal kan doorslikken. Ik snak naar adem.

Dat de verluchting er bij mij alleen maar komt door een lichtjes gecontroleerde flatulentie van mijn inderhaast genuttigde Filet ~ Braise d’Argentine die mijn composthoop is gaan opzoeken, blijkt als beeld voor mij meer te werken.

“Voel je je gezien,” vraagt de docente. Ja, ik voel mij gezien, en nog niet een klein beetje ook. 90 euro en zaterdag was zo’n mooi zonnige dag. Ze bedoelt echter of je je als patient door de therapeut (zij heeft het liever over lichaamswerker – ik vind dat dat meer iets weg heeft van een in carro-ende getooide houthakker) gezien voelt. Het was een ervaring. Tsss…

Maesoleum

In 1994 ging ik onder vriendschappelijke begeleiding in een clubje mafketen onder controle wat culturoos-studentikoos zitten doen met als persoonlijke leuze: ‘Alles voor de wijven’. Deze historische slagzin werd ook bij mijn medebroeder hoog in het vaandel geschreven, edoch met ietwat lyrischer inkt en allesbehalve zo materialistisch als bij mij. Dat bij hem dit veel vaker leidde tot materialisatie van ons gedeeld principe, deed mij alleen nog maar meer verlangen; ik hield mijn potlood op zak en schreef mij bloot aan poëzie zonder ook maar de pen in de inkt te doppen.

Gedurende deze wellustexpansie hervond ik de kut van cultuur en moest ik toegeven dat mijn marktwaarde gestadig steeg, zij het naar mijn mening niet snel genoeg. ’t Was in deze dagen dat ik een klein, positief gekruld heksje over het hoofd zag, maar tegen het lijf liep omdat zij 1/2 en ik 1/4 blind was. Zij was het type meisje waarbij je tevergeefs de t’s probeert te tellen in ‘Weedge wel da Maasmechele heel dich lich bij Maasdrich’. Hoe fysiek tegenstrijdig we er ook mochten uitzien, des te grondiger ging ik op zoek naar onze overeenkomsten:

  • Zij kreeg meer hypo van haar suikerspiegel dan ik van mijn hypochondrie
  • Onze Ma(a/e)s afkomst konden we geen van beiden lang verborgen houden
  • We hadden beiden een niet te ledigen nood aan seks: zij tenzij ze de insulinespuit vasthad; ik had de spuit altijd in aanslag

Nu ben ik het type persoon die pas doorheeft wanneer een meisje verliefd is als ze haar tong dwars in mijn oor steekt, zich wild met haar ranke lijf op het mijne stort, haar bloesje openrukkend en mijn gezicht in haar ontboezemingen drukt. Ook dan zal ik dit expliciet ovulaire gedrag eerder verklaren als ‘ze heeft last van ontstoken papillen op haar tong’, ‘haar interpretatie van het Zwanenmeer is heel doorleefd’, ‘Die H&M kledij is toch niet van dezelfde kwaliteit als die van C&A’ en ‘och, ze heeft precies een schoon moederinstinct’.

Bij Yanne boekte ik daarentegen een bescheiden vooruitgang en zag ik pafferige Eros ineens van twee kanten komen. Zij en een vriendin probeerden me op haar kot te verleiden; ik ging met de vriendin de deur uit, maar bij haar op bed zag ik mezelf ineens niet het Vestaalse vuur blussen en bedacht op tijd dat ik beter niet in oud-Olympische klederdracht kon uithalen. Ik was niet verliefd op beide bosnimfen, en kon de panfluit dan ook beter onbespeeld laten.

Later probeerde ik yanne van de ware toedracht van het voorval te overtuigen, maar ik ben er zelfs tot op heden niet in geslaagd haar te doen inzien dat ik die nacht vanuit mijn christelijke wormen in Naarden niets méér gedaan heb dan de handelingen waartoe de paus vandaag de dag autonoom in staat is: ook ik sloot het gesprek bij onze gemeenschappelijke vriendin af met een gemompeld, licht gegeneerd en hoogstwaarschijnlijk totaal onverstaanbaar ‘Urbis et orbis’.

Yanne moest meemaken hoe ik einfach compliciert verliefd werd op een japanologe; hoe ik hersenspinsels uit mijn ziel rukte om te bekoren; hoe ik wellicht Yanne tot ingehouden verveling toe bleef lastig vallen met mijn monologiserende bleitredes.